RUST OP HET PLATTELAND ?

In de karakteristieke houding van de aartshengelaar zit ik als twaalfjarige gelaten op mijn bankje in het licht schommelende en licht lekkende bootje. Op het andere bankje in hetzelfde bootje zit mijn moeder in dezelfde houding met dezelfde gelatenheid en met dezelfde dromerige ietwat schelvisachtige blik in de ogen naar de dobber te staren.

hengelaar1 

hengelaar2 

aartshengelaars …

Wij zwijgen eensgezind met de saamhorigheid van twee mensen die samen kunnen zwijgen omdat zij elkaar veel te vertellen hebben. Rondom ons heerst een doodse stilte, die tot berstens toe gevuld wordt met die geluiden, die je alleen maar kunt beluisteren in de prille morgenuren op een klein slootje, in de oneindige rust van het platteland, ver van de bewoonde wereld.

Mijn dobbertje vertoont niet die bewegingen waarop de hartstochtelijke hengelaar voortdurend wacht, dikwijls zelfs tevergeefs. Op het geluid van de kwetterende mussen, zacht kabbelend water, het ruisen van de wind in de tot het water reikende wilgetakken, het trillen van minuscule insektenvleugeltjes en het gesnap van een eenzaam eendje, soes ik wat weg in de reeds koesterende zonnewarmte.

Mijn gedachten gaan terug naar het kleine boerderijtje, dat veertien verrukkelijke dagen lang ons home zal zijn en van waaruit wij vanmorgen zijn vertrokken voor een lange lome dag op het water. De poes was al op. Zij schreed hautain langs de kippen, die eveneens al uit de veren waren. Stomme kippen. Ik krijg er nooit genoeg van om naar hen te kijken.

kippen
kijken naar de kippen

Vanmorgen –en ik glimlach bij de herinnering- had ik gedachtenloos een halfvergaan elastiekje naar een paar kuikens gegooid. Het effect was enorm.

Twee kuikens vlogen erop af en grepen ieder fanatiek een uiteinde in het kleine snaveltje in de vaste veronderstelling dat het wel een sappig wormpje zou zijn.

Als miniatuur-touwtrekkers die deelnemen aan een vermoeiende sportdag, trokken zij grimmig en verbeten om de overwinning te behalen. Heen en weer ging het, heen en weer.

Ik keek geïnteresseerd toe. En toen knapte het elastiekje plotseling. Op hetzelfde moment lagen de beide kuikens hulpeloos met de pootjes omhoog in het al warme zand.

Mijn schallende lach joeg de afwachtend toekijkende kippenfamilie verschrikt uiteen en luid kakelend zochten zij hun heil op de broeierige mesthoop, die mede verantwoordelijk is voor dat typische plattelandsgeurtje, dat stadsmensen diep plegen in te snuiven om dan met welbehagen te zeggen: “heerlijk hè, die buitenlucht!”

De dobber! Hij beweegt! Ik ben opeens weer terug in het bootje, grijp mijn hengel, wacht ervaren op het juiste moment en haal dan met een royale zwaai op. Ik had niet meer op mijn moeder gelet, was haar eerlijk gezegd helemaal vergeten. Ook zij heeft beet. Ook zij haalt op. Het onvermijdelijke gebeurt: boven het midden van onze wat gammele verblijfplaats raken de snoeren elkaar en de hevig spartelende vissen vinden ter plaatse nieuwe knopen uit, die bovendien nog stevig vast blijken te zitten ook. Voor de tweedemaal die dag schalt mijn lach door de heerlijke zomerochtend.

Een uur later zitten we weer in dezelfde houding als voorheen. De hengels zijn hersteld en de vissen zwemmen -nog wat bleek om de neus- in het leefnet rond dat aan het vaartuigje hangt.

In volmaakte rust en vrede die ons –opgejaagde stadsmensen- nieuwe kracht geeft voor wéér een jaar tredmolen, verstrijkt enige tijd. Ik doezel weer wat weg tot op het moment dat mijn spieren erom vragen of ik zo welwillend wil zijn om even te gaan verzitten.

Ik wil, en hoe! Warme lucht strijkt op datzelfde moment langs mijn hals en een klein gerucht doet mij omzien. Een levensgrote koe, op de hielen gevolgd door een stuk of tien zusters, ruikt snuivend aan mijn haar. Zachtjes op hun tenen lopend zijn ze onhoorbaar door de sappige zompige weide komen aanlopen om te voldoen aan hun bête nieuwsgierigheid en om antwoord te krijgen op hun vraag: “Wat doen die twee –die er voor een koe maar raar uitzien- aan de rand van ons weitje?”

Ik schrik en gil als een varken bij wie de krul uit de staart wordt getrokken. Paniekerig trek ik aan de riemen om weg te komen.

Het lukt niet: de boot blijft op zijn plaats. Mijn hevig geschrokken moeder kan alleen nog maar krijtwit met een trillende vinger wijzen naar de ketting, die de boot stevig aan het weitje verankert.

 

koe
een levensgrote koe

Er zit niets anders op –omdat wij geen helden zijn als het om koeien gaat- dan rustig af te wachten tot de beesten elders hun nieuwsgierigheid zullen gaan bevredigen.

De logge dieren kijken nog enige tijd loom naar ons, wiegen hun koppen op de rustgevende melodie van natuurgeluiden en malen onverstoorbaar gras. Dan zié ik ze als het ware –niet begrijpend en laconiek- de schouders ophalen over die gekke druktemakers .... ze sjokken weer heen.

Het wordt weer stil, maar de ware rust is weg. We besluiten ons geluk een eindje verderop te gaan beproeven. Langzaam roei ik het kleine slootje uit en –nog met mijn gedachten bij de glanzende zuivelleveranciers- besteed ik geen aandacht aan het hakkepuffende geluid geluid, dat zich losmaakt uit de verte en langzaam naderbij komt. Had ik dàt maar wèl gedaan!

De vredige rust vindt zijn definitieve einde aan het einde van het slootje. Tegelijkertijd zijn we op de kruising, wij in het kleine onstabiele houten bootje en hij, de robuuste zand en stenen vervoerende ijzeren bakkeboot. De enorme golfslag doet onze verblijfplaats gevaarlijk overhellen. Mijn moeder maakt heel slim gebruik van de gelegenheid en springt aan de kant. Ik zit van pure schrik aan mijn bankje genageld tot de boot omslaat en zinkt. Hij komt niet meer boven. Ik wel. Even later sta ik druipend naast mijn moeder, met modder in mijn schoenen en kroos in mijn haren.

Voor de derde maal die dag schalt een lach over het wijde vlakke polderland. Maar ditmaal is het de lach van mijn moeder.

sloot
hier gebeurde het …

scroll back to top