roddel

De zon scheen niet, maar toch was het lekker weer. Ik ploeterde wat in de tuin. De buurman klapte zijn tuinstoel open, ging erin zitten, hield het twee minuten vol, klapte de stoel weer dicht en haalde een fiets uit de schuur.

“Ik zal ons vrouw z’n fiets es poetsen” zei hij, “want zij doet het toch niet”. “O”, zei ik neutraal en harkte tussen de rozen. “Mien”, riep hij in de richting van de achterdeur, “ik zal je fiets es poetsen, want jij doet het toch niet!” Wat Mien zei, kon ik niet verstaan.

defiets 

Toen even later Kees z’n schoonpa op bezoek kwam, herhaalde hij eentonig wat hij al twee keer gezegd had. Ook schoonpa bleef wijselijk op de vlakte. Een klein half uur later was de fiets schoon. Hij glom in het zonnetje, dat welwillend even om een hoekje keek. Kees ging weer naar binnen terwijl hij riep:”Mien, Mien, waar zit je?” Samen met Mien kwam hij weer naar buiten. Vanachter mijn rozen kreeg ik een levensles in hoe-hou-ik-mijn-huwelijk-goed.

“Oh”, riep Mien, “wat mooi. Wat is-ie mooi schoon, zeg, oh!” Ze veegde even over het stuur, waar blijkbaar nog een vlekje op zat. En ze zei niet “dat ben je nog vergeten” wat ik -oen- gedaan zou hebben, maar ze zei: “Wat glimt-ie daar mooi. Oh, wat is die schóón, zeg” en voorzichtig, alsof de fiets plotseling van porselein was geworden reed zij het mobiel de schuur in, nog eens roepend: “Oh, mooi” Al die tijd had Kees op enige afstand glunderend staan toekijken als een kleine jongen, die voor het eerst op moederdag een beschuitje voor zijn moeder heeft gesmeerd en vol trots toekijkt hoe zij het gelukzalig consumeert. Kees dus glunderde en hoorde in zijn kinderlijke blijheid niet wat ik bespeurde: de vlakke en afgemeten stem van Mien, waaraan de oprechtheid ontbrak.  

Natuurlijk, het is leuk als een man de fiets van zijn vrouw poetst en zij er blij mee is. Maar hier werd een toneelstuk opgevoerd. Mien belazerde hem. Kees merkte het niet. De rozen waren mijn getuigen. Hou je zo een huwelijk goed? Dan moest ik nog heel veel leren.  

Kort daarop had ik weer met Mien en Kees te doen. Het zal je maar gebeuren. Ze waren op vakantie geweest. Krakend oud auto’tje ingepakt. Bleek zoontje ingepakt. Op weg naar Oostenrijk. Overnachten in een jeugdherberg.

Na twee weken reed het hele spul weer voor. Met op het dak een groot stuk boomstronk. Gekocht in Oostenrijk. De hele reis terug krakend mee terug gezeuld. Dat de auto niet bezweken was, kwam mij wat onwaarschijnlijk voor.

De zin ervan ontging mij ook, op dat moment. De volgende dag kwam daar meer klaarheid in toen de stronk met man en macht en ten koste van heel wat kostbaar zweet van auto was getild –hoe hebben ze dat toch geflikt?- en via de voordeur, de gang en de keuken door de achterdeur naar de achtertuin was getransporteerd.

Kees verdween in de schuur en produceerde slijpgeluiden. Later kwam hij met beitels en hamers weer naar buiten en begon te hakken. Ik had inmiddels mijn plaats tussen de rozen weer ingenomen om de zaak toch enigszins in ogenschouw te kunnen nemen.

Een bloembak! Dat moest het worden. aan de bovenkant was een rechthoek afgetekend en Kees hakte volgens de uitgezette lijnen.

Ik neem aan dat hij en Mien verrukt waren geweest van de geraniumvolle kleurrijke bloembakken in Oostenrijk, die het land zo’n fleurig aanzien geven. Ik neem ook aan dat hij –toen zij genoten van die overvloed aan rode geraniums- niet hebben kunnen inschatten van welke houtsoort de bloembakken waren gemaakt.

Ik kon dat ook niet, maar zag wel dat het een harde was. Kees kwam daar ook achter. Vijf dagen lang hakte en beitelde Kees. En hij begon ‘s morgens toch best vroeg. Toen zat het benodigde gat erin. Mien kwam kijken. En prees Kees. Kees was trots en vergat zijn pijnlijke spieren en zijn afgesleten beitels. Het was een mooi, diep, langwerpig gat. Er kwam zand. Diverse zakken. Er kwamen geraniums. Een stuk of tien. Schoonpa kwam. Want de bloembak moest via de achterdeur, de keuken, de gang en de voordeur naar de voortuin. Het kostte wat moeite, maar hij kwam er. Toegegeven, als je je fantasie gebruikte en de geraniums alvast uitbundig bloeiend in gedachten nam, dan zou het best nog wat worden. Niemand in de straat had zo iets. Vanuit mijn voorkamer kon ik de bak ook zien. Het fraaie uitzicht had mij niets gekost, geen geld en –vooral- geen moeite. Moe maar voldaan moeten Mien en Kees naar bed zijn gegaan.  

geraniums 

Ik zei het al, ik had best met hen te doen … de volgende dag. Toen ik de gordijnen openschoof om de nieuwe dag binnen te laten miste ik iets. De bloembak. Hij was er niet meer.

Kees en Mien hadden dat inmiddels ook al ontdekt te oordelen naar de geluiden die hun voordeur en het driftige in- en uitlopen veroorzaakte. Enige tientallen meters lang konden zij nog een voetspoor van zandafdrukken van tuinaarde volgen op het trottoir. Daarna hield het spoor op.

Eerlijk is eerlijk, ik had met hen te doen, door mijn slechte karakter was enig leedvermaak mij niet vreemd. Het kostte mij dan ook een beetje moeite om de grijns van mijn gezicht te vegen. In de beschutting van mijn woonkamer hoefde dat ook niet.  

scroll back to top