DE DRUIVENKONING

De invitatie was voor mij even onverwacht als verrassend. Het had iets avontuurlijks, zoals de hele reis voor mij iets avontuurlijks had. Ik was immers voor het eerst op het Hongaarse platteland! We waren uitgenodigd eigengemaakte wijn te komen proeven bij een druiventeler, die vroeger gold als de rijkste van het dorp. Door een speling van het noodlot – de Hongaarse opstand – was hij gedoemd de rest van zijn leven te slijten in bittere armoede.

Op een hete droge en stoffige middag gingen we naar hem toe. Onze gastheer had klaarblijkelijk verlangend naar onze komst uitgezien. Gasten ontvangen was een uitzondering geworden in zijn leven en zeker buitenlandse gasten, zoals wij. Hij kwam ons tegemoet met de hartverwarmende gastvrijheid, die Hongaren eigen is. Hij zag eruit zoals vele Hongaarse boeren: tot op de draad versleten kleren, bruin verweerd gezicht, de schouders in berusting naar beneden en de typische uitdrukking van doorstane ellende in de ogen.

 

druiven2 

Daar stond zijn huis. Je kon nog zien dat het vroeger een ware lust voor het oog moest zijn geweest: een lage witte woning met een terras, overdekt met druivenranken, een grasveld met een waterput, vele bijgebouwen voor de dieren, een wijnkelder. Nu bladderde de witte verf, het gras was verwilderd, de schuren verwaarloosd en leeg.

Binnen was het verrukkelijk koel. Ook hier weer die vloeren van zand en spaarzame meubilering.

Wij namen plaats aan tafel en de gastheer praatte honderuit. Hij offreerde ons het eerste glas wijn. Wel vier, vijf maal vertelde hij dat hij vijfentwintig jaar geleden ook eens in het westen was geweest. Vele vragen stelde hij ons over ons ‘kapitalistische’ leven.

Daarna nodigde deze voormalige druivenkoning ons uit naar zijn druivenlandje te gaan kijken.

Het was zijn trots. Bovendien zijn enige bron van inkomsten, die de regering uiteindelijk meer opleverde dan hij ervan kreeg. Ze stonden er prachtig bij, de druiven. Duidelijk waarneembaar was de toewijding waarmee hij ze omringde. Onder de brandende zon moesten vele, vele emmers water zijn geput om ze te voorzien van het zo bitter benodigde water.

Een scheefgezakt halfvermolmd schuurtje vol spinnen en stof diende als gereedschapsberging. Er stond een ton met afgevallen fruit te gisten. Tot mijn verrassing èn ontsteltenis stond er in de hoek een bed. Blijkbaar werd het ook wel eens benut voor een middagdutje, als de zon op zijn hoogst stond en de hitte bijna onverdraaglijk werd.

De aanblik van de vodden die eens dekens waren geweest en de bedompte atmosfeer in de schuur vervulde mij met afschuw en tevens met een diep medelijden. Wat moet het dié man gekost hebben om dit te leren accepteren! Dit leven van zwoegen en slaven voor droog brood, terwijl hij vroeger aanzien had en geld. Het was een vernedering die menigeen niet zou hebben verdragen. We keerden terug naar het huis, het droeve overblijfsel uit betere tijden. Trots en enigszins plechtig ging hij voor, de wijnkelder in. Het was een koele witgekalkte kelder met vele vaten. Eén vat bevatte nog wijn, zijn wijn. Deze man, door iedereen verlaten, die oud was voor zijn jaren, offerde zijn wijn aan ons –zijn gasten- en hij straalde. Wij waren duidelijk een belevenis voor hem en hij zou nog lang vertellen van ons bezoek aan ieder die het horen wilde.

druiven4 

Hij tapte wijn met een speciaal instrument: een glazen bol met aan de ene kant een heel lange dunne hals en aan de andere kant een korte. Hij zoog aan de korte hals terwijl hij het lange stuk als een rietje in het wijnvat hield. De bol vulde zich met wijn. Toen zette hij zijn vinger op de opening van de lange hals zodat de wijn er niet uit kon lopen en als een geweer droeg hij het naar het woonvertrek.

We namen weer plaats. Ik beheerste de Hongaarse taal niet voldoende om zijn onafgebroken stroom van woorden te kunnen volgen. Ik liet de waterval over me heen gaan en richtte mijn aandacht op de donkerrode wijn. Hij was wat wrang en iets te koel. Het was een wijn zoals men die van deze streek kon verwachten. Men hield hier van deze wijn. Je kreeg hem bij de lunch, als aperitief, bij het avondeten en ook nog toe. Men dronk hem als water. Goed tegen de warmte, zei men, en warempel—als je gloeide van binnen, viel de hitte buiten minder op.

Plotseling kreeg ik een klein glaasje onder mijn neus: we stapten over op de zelfgestookte jenever. Hij had ze in soorten en van elk soort moesten we proeven. Ik werd een beetje licht in mijn hoofd en liet me voortdrijven op het geluid van de stemmen.

Ineens echter was het stil. Ik was er weer helemaal bij en vroeg wat er ging gebeuren. Hij gaat op zijn viool spelen, was het antwoord. Nee maar, daar had ik wel over gelezen, maar ik had het nog niet meegemaakt: volksmuziek, door een boer aan de viool ontlokt!

Onze gastheer liep, nee, schrééd naar een oude kast. De zorgvuldig weggeborgen kist werd te voorschijn gehaald en met voorzichtige vingers nam hij liefde vol het muziekinstrument in zijn handen. Ik keek naar zijn gezicht. Bijna viel mijn mond open van verbazing: hij was verliefd, de man was verliefd! Op zijn eigen viool!

druiven5

Hij droeg hem teder en streelde het oude hout. Zijn vingertoppen beroerden licht de snaren. Zijn gelaatsuitdrukking was veranderd. Het scheen mij toe of de rimpels minder diep waren, de zorgen vervaagd. Er zweefde een schaduw van geluk door de vermoeide ogen.

Met zachte stem vertelde hij dat het zijn enige ontspanning was, zijn hobby, zijn hartstocht. Het bracht hem terug naar het verleden en deed hem het heden vergeten. ‘s Zomers speelde hij weinig, dan was er veel werk. Maar in de winter –en hij verheugde zich zichtbaar- kwam er soms een zigeuner bij hem aan en dan speelden ze samen hun gevoelens naar buiten.

Hij vleide de viool aan zijn kin en hief de strijkstok op. Hij speelde. Zijn spel was niet bijzonder goed. Beter, veel beter vioolspel had ik gehoord; kwalitatief was dit spel niet te vergelijken met het spel van de primás van een zigeunerorkest.

Maar de overgave, de liefde waarmee hij speelde, maakte alles goed. Het ontroerde mij deze oude man te zien spelen. Met gesloten ogen gaf hij zich geheel aan zijn spel. Dromerig en melancholiek om daarna snel en luchtig te worden. Hij speelde vele bekende volksliedjes. Wijsjes, waarvan vroeger flarden verwaaiden over de poesta. Daar ving de voorbijtrekkende zigeuner ze op, interpreteerde ze op zijn manier en werkte ze om in dromerige of hartstochtelijke melodieën –al naar gelang zijn gevoelens van het ogenblik. Zo ontstond de fameuze zigeunermuziek, bekend en bemind over de gehele wereld.

Ademloos luisterde ik en vergat de wijn. Toen hij na enige tijd ophield, waren zijn ogen vochtig. Ik zag het wel: het heden was voor hem slechts te verdragen door zijn herinneringen aan het verleden. Af en toe ontvluchtte hij de werkelijkheid en putte nieuwe kracht uit voorbije gouden tijden.

Even was het doodstil. Het geluk verdween uit zijn ogen en maakte plaats voor de oude uitdrukking. De rimpels verdiepten zich.

Ik was getroffen door wat ik had gezien achter zijn masker van drukke opgetogenheid en onder de indruk nam ik even later afscheid.

Wij keerden naar huis terug en lieten een man achter die éens als ongekroonde druivenkoning werd geacht en geprezen en nú ons bezoek als een zonnestraaltje beschouwde in zijn verdorde bestaan.

druiven7 

scroll back to top